Dag 55 – liefde in tijden van corona

20191125_17130655 dagen niet naar school, 55 dagen niet afspreken met vriendjes en vriendinnetjes. 55 dagen lang niet naar opa en oma. Niet meer mee naar de supermarkt om boodschappen te doen. 55 dagen alleen naar het park of het bos als het rustig is. 55 dagen opgesloten in huis. 55 dagen niet naar zwemles. Morgen komt er een gedeeltelijk einde aan deze periode. H. mag weer twee dagen naar school.

Mijn 5-jarige dochter heeft zich als een ware held door deze tijd heen geslagen. Ze werd boos en verdrietig toen ze de kinderen uit de straat buiten zag en zij vanwege een flinke verkoudheid binnen moest blijven. Ze huilde op de keukenvloer, en ik huilde met haar mee. Maar al snel kwam de creativiteit. Over de schutting vanaf een ladder kletsen met het buurmeisje was eigenlijk wel geinig. Verstoppertje spelen bleek ook prima te werken vanuit het slaapkamerraam. Ze maakte een reuzensprong en begon zelf te lezen. Toen ze een keer per ongeluk niet in haar elleboog maar richting een struik nieste, zei ze: “Ik hoop maar dat de plant geen corona krijgt.”

Die lieve, dappere H. Die kreeg niet alleen te maken met corona en quarantaine. Ze moest ook een scheiding verwerken. Papa en mama zijn sinds eind vorig jaar niet meer “in elkaar”. Een verdrietig, moedig, heftig, teleurstellend, goed, hartverscheurend, slecht, boosmakend, ellendig, noodzakelijk, verstandig besluit. En eentje met grote gevolgen.

Onze dochter moeten vertellen dat haar ouders uit elkaar gaan, is het moeilijkste dat ik ooit heb moeten doen.

“Moet ik nu alleen in een huis wonen?”, vroeg ze.

Mijn hart huilde.

Ik ben zelf een kind van gescheiden ouders. Ik ben erop gebrand het beter en anders te doen dan hoe ik het zelf heb meegekregen. Ik wil mijn dochter een veilige en overzichtelijke wereld bieden. Ik wil dat ze zich nooit hoeft af te vragen wat haar bestaansrecht is. Ik hoop dat ik haar op haar achttiende redelijk onbeschadigd kan afleveren en de wereld in kan sturen. En als ze dan zegt: “Mijn ouders, die zijn best oké”, dan weet ik dat we het goed hebben gedaan.

Het zorgt ervoor dat ik enorm bewust met haar bezig ben. De meeste mensen beginnen uit een soort vanzelfsprekendheid aan kinderen en zijn daar niet de hele tijd mee bezig. Ik wel. Voortdurend. Met haar geboorte kwam er ook een soort doodsangst mee. Steeds vroeg ik mij af of ik het allemaal wel goed deed, tot op het vermoeiende af. Haar even laten huilen was geen optie, dan zou ik haar in de steek laten. Haar even bij mijn moeder achterlaten zodat ik zelf op adem kon komen, was nog erger. Als ze, slechts een paar maanden oud, in mijn armen lag en me aankeek, vroeg ik me af of ze zou denken dat ik een slechte moeder was.

Zelf was ik een angstige en verwarde tiener. Het waren geen fijne jaren. Ik heb redelijk veel conflicten en heftigheid meegemaakt. Daardoor heb ik me nooit gerealiseerd dat veel mensen wél gewoon blij zijn en normaal kunnen doen. En dat een dochter hebben niet automatisch betekent dat ze op haar vijftiende aan de drugs zit en in verwachting is van een puisterende enge leeftijdsgenoot.

Ik heb er vanaf mijn achttiende ruim twintig jaar over gedaan om een soort zelfacceptatie te bereiken. Met het beëindigen van onze relatie sta ik weer voor een uitdaging. Eentje die in de eenzaamheid van quarantaine soms moeilijk op te brengen is. Maar het moet. De wond die we onze dochter hebben toegebracht, moet zo goed mogelijk verzorgd worden. Zodat er uiteindelijk een klein litteken overblijft in plaats van een etterende wond die niet meer dichtgaat. En tegelijkertijd moet ik zelf het hoofd boven water zien te houden. De scherven bij elkaar plakken. Op een enigszins plezierige manier.

Ik ga dit kunnen. Echt.

Op reis vóór corona (4): Roadtrippen door Oaxaca: kotsen in een papieren zakje

IMG_4640Stelletje prutsers dat we zijn! Ooit waren we in Bangkok met een bijna 2-jarige op pad gegaan zonder luiers, met alle bruine gevolgen van dien. Dankzij toeristen die gewoon wél aan luiers gedacht hadden, en een Thaise toiletjuffrouw met tuinslang kwam het toch nog een beetje goed. Nu zaten we in Mexico in een auto met een kleuter. En die kleuter besloot spontaan dat het tijd was om hier en nu wagenziek te worden. Voor het eerst.

Dat was niet heel verwonderlijk, want we reden al zo’n vijf uur op een weg waar geen enkel recht stuk in zat. Vijf uur lang bochten draaien is niet iets waar ik doorgaans erg vrolijk van word. En de dochter ook niet, zo bleek.

Een paar keer waren we even gestopt, in de hoop dat overgeven zou opluchten. Maar er kwam niets. “Het gaat wel weer”, zei ze dapper. Ze mocht voorin zitten, en we reden weer verder. Twee bochten later kwam het toch. Een gigantische golf aan tortilla’s, bonen, kaas en wat er deze ochtendverder nog meer naar binnen was gewerkt.

Ik had uit het vliegtuig nog een kotszakje meegenomen. Heel handig, vond ik zelf. Voor het geval dat. Ik had ‘m, heel slim, ergens in mijn tas opgeborgen.

D. zag geen mogelijkheid de auto nu aan de kant te zetten. Ik wrong me vanaf de achterbank tussen de twee voorste stoelen om te proberen met een papieren broodzakje de ergste schade op te vangen.

Dat was niet een heel goed idee.

“Wat moet ik hiermee doen?”, gilde ik in paniek. Want stoppen behoorde nog altijd niet tot de mogelijkheden.

Dan maar het raam uitkieperen. Sorry, mooie natuur. Maar een lekkend kotszakje vasthouden vond ik ook niet direct een erg aantrekkelijk idee. Ik probeerde in één soepele beweging het raampje open te krijgen en tegelijkertijd het zakje naar buiten te gooien.

Ook dat ging niet helemaal naar wens. De ene helft kwam op de spullen op de achterbank terecht, en de andere helft aan de buitenkant van het portier. Ondertussen werd ik zelf ook een beetje misselijk en moest ik ook eventjes uit het raam kijken. Om mezelf te redden.

D. had één hand aan het stuur en met de andere probeerde hij de resterende kots van H.’s gezicht te vegen. H. brulde het uit. Het arme kind zat helemaal onder.

Het is er in ieder geval uit, dachten we.

Dachten we.

In H.’s maag bleek nog veel meer te zitten. Het ging nog twee keer mis. We offerden twee handdoeken op. De gevolgen waren nauwelijks te overzien. We reden nog twee uur in een zurige kotslucht door de bochtige bergen van Oaxaca. Het was een ware beproeving geweest, maar daar was toch nog de beloning: het strand. En een wasbak om met shampoo de handdoeken en kleren in de week te leggen. Zo leuk, reizen.

Op reis vóór corona (3): Día de Muertos

20191102_114722Fiesta is een vrolijk Spaans woord, en door Mexicanen geadopteerd als belangrijkste bijzaak in het leven. Werkelijk overal vinden met grote regelmaat feestjes plaats, of het nu een vrolijk muzikaal intermezzo op de hoek van de plaatselijke zócalo is, een bruiloft waar het hele dorp van mee mag genieten, een gewone zondag, of het belangrijke katholieke Pasen.

De meest bijzondere van allemaal is Día de Muertos (Dag van de Doden). En wij hadden het geluk het te mogen meemaken.

Mexico en de dood zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Waar in veel landen nogal krampachtig met de dood omgegaan wordt, en rouwen vooral binnenshuis gebeurt, wordt in Mexico het leven van de overledene uitbundig gevierd. Doodsverering is tot levenskunst verheven. Wie ooit de (fantastische) animatiefilm Coco gezien heeft, weet het: Mexicanen sterven niet als hun hart ermee ophoudt, ze sterven pas als niemand meer aan hen denkt. Om te zorgen dat dat niet gebeurt, heb je familie. Zij houden de herinnering levend.

Ook na hun dood blijven Mexicanen daarom een belangrijk onderdeel van hun families. Ze drinken nog steeds mee met tequila en mezcal en krijgen hun portie tortilla’s. Rond Allerzielen, op 2 november, bereikt dit een hoogtepunt. Al in de periode vooraf gaat dit gepaard met grote feesten. Op elke hoek van de straat, in het metrostation, in de kerk, in het museum, overal staan kleurrijke altaren, vol met ofrendas (offers): kaarsen, wierrook, fruitmanden, bloemen, en een brood dat speciaal voor deze dag wordt gemaakt, pan de muerto.

De straten worden bevolkt door skeletten in zwarte jurken, zelfs politieagenten zijn geschminkt. Vaak zijn het schedels en skeletten met een brede lach, omdat ze niet verdrietig zijn, maar blij dat ze weer worden herenigd met de doden. Mexicanen geloven dat in de nacht van 31 oktober op 1 november de hekken van de hemel om middernacht opengaan. De geesten van alle overleden kinderen komen terug op aarde om deze dag met hun families te vieren. De dag daarna is het de beurt aan de volwassen geesten.

Niet treuren maar feesten, is het motto van de Mexicanen. Begraafplaatsen in het hele land veranderen in een gezellig openluchtcafé, waar families de hele nacht bij de graven van hun familieleden tequila drinken, eten en lachen. Uiteraard is er ook een glaasje voor de overledene. In de hoofdstad wordt flink uitgepakt, met een enorme optocht. Ook H., doorgaans enigszins gevoelig voor ‘enge’ dingen, vond het ‘spokenfeest’ fantastisch. Ze liet zich gewillig schminken tot een vrolijk doodshoofd, en genoot zichtbaar van alle praalwagens met geverfde skeletten.

Daar stonden we dan, tussen een paar miljoen anderen. Iedereen was vrolijk, iedereen juichte en klapte. Zelfs de schoonmakers, die, helemaal achteraan, de ergste rotzooi alvast een beetje bij elkaar veegden, werden getrakteerd op een daverend applaus. Met een paar duizend anderen stonden we op een heel klein stukje zócalo, hoofden verdwenen in oksels, zelfs de mijne, want Mexicanen zijn niet zo groot. Een anderhalve millimetermaatschappij. En toch, niemand klaagde, niemand raakte ook maar een klein beetje geïrriteerd, nee, iedereen bleef maar lachen.

Er bleef de rest van de avond een leuke feestsfeer hangen in de stad.Een beetje een combinatie van Koningsdag en carnaval, maar dan wél leuk. Het betekende de afsluiting van onze tijd in de hoofdstad, en allemachtig, wat voelde het bijzonder om hier bij te mogen zijn.

(wordt vervolgd)

Op reis vóór corona (2): Mexico City

20191029_132227Ik keek uit het raam van de taxi naar buiten. Het was 5 uur ’s ochtends en de donkere straat zag er een beetje obscuur uit. Er was niemand op straat, en ik prees mezelf gelukkig dat we er niet uit hoefden. Het leek alsof dit een buurt was waar schimmige deals gesloten werden en er ook regelmatig iemand een waarschuwingsschot tussen de ogen kreeg.

“Hemos llegado”, bromde de taxichauffeur. We zijn er.

Pardon?

Maar de chauffeur was al uitgestapt om de kofferbak open te maken.

[…]

Ik had eigenlijk niet heel veel zin om uit te stappen, maar de chauffeur verzekerde dat hij het adres echt juist had, en dat hij al jaren in deze stad woonde en heus wel wist wat hij deed.

“Ja, maar, we hebben een appartement in het historische centrum”, probeerde ik nog.

“Dit ís het historische centrum.”

Ik keek nog een keer naar buiten. “Securo?”

Toen we een paar uur later, zonder kleerscheuren en met een paar uurtjes slaap, ons Airbnb appartement in diezelfde grimmige straat uitstapten, zag de wereld er al een stuk gemoedelijker uit. Bij daglicht bleken achter alle luiken winkeltjes te zitten, volgestouwd met meuk en fluorescerende lampen die zenuwachtig knipperden en met muziek die veel te hard uit de boxen schalde.

Juij! Mexico City!

Dat we onze reis hier, in deze gigantische metropool met 23 miljoen inwoners, zouden beginnen stond al direct vast. Immens groot en onwaarschijnlijk druk. Maar wát een levendigheid, en wat is er veel te zien en te beleven. Het oude centrum, centro historico, is prachtig, het is er goedkoop, het eten is heerlijk en de mensen zijn vriendelijk en leuk.

De eerste dagen slenterden we over de enorme zócalo, beklommen de Torre Latino voor mooie vergezichten, wandelden in het gigantische Bosque de Chapultepec, lagen op een spijkerbed in het fantastische Papalote Museo del Niño, stonden opeen gepropt in overvolle metro’s, regenden kletsnat in een uren durende onweersbui. In Xochimilco voeren we samen met families in een kleurrijke Mexicaanse gondel door het Giethoorn van Latijns-Amerika, terwijl mariachibands ons vermaakten met hun blije muziek. Op straat werden we geïnterviewd door scholieren die hun Engels probeerden op te krikken, onderwijl zigzaggend tussen schreeuwende straatverkopers (‘Papas papas papas 10 pesooooos!’). We dronken tequila en aten maïskolven en tortilla’s. En we maakten ons op voor één van de grootste feesten van Latijns-Amerika: Día de Muertos.

(wordt vervolgd)

 

Op reis vóór corona (1) : “Wat is dit een groot avontuur!”

20191029_112618Mexico! Het land van liefde en van zon! ’t Was in de schaduw van de bomen, dat net als in dromen een sprookje begon

Het land van liefde en van zon. En ook het land van armoede, drugs en veel geweld. Mexico heeft geen beste reputatie. Zo jammer. Want Mexico is fantastisch! Reusachtige Mayatempels, woestijnen vol cactussen, gigantische kustlijnen, parelwitte stranden, groene jungles, besneeuwde vulkaantoppen, heerlijk eten, en de mensen. Ah, de mensen. Mexicanen zijn fantastisch! Ze hebben een eeuwige glimlach, ze zijn vriendelijk en hartelijk, trots op hun land en bijzonder gastvrij.

Toen wij een jaar geleden plannen maakten voor een lange reis (nog net voordat H. 5 jaar en dus leerplichtig zou worden), maakte het ons aanvankelijk niet zoveel uit waar we naartoe zouden gaan. Toen het goedkoopste ticket ons naar Mexico stuurde, maakte mijn hart stiekem een sprongetje. In 2012 hadden D. en ik al eventjes aan het land mogen ruiken, toen we onze halfjaar durende reis door Latijns-Amerika in dit land begonnen. Slechts een week hadden we er doorgebracht, maar het smaakte al direct naar meer. Dus juij! Wij waren tevreden. En we besloten direct dat we dan ook weer naar Guatemala zouden gaan, want daar waren we ook fan van.

Het leverde een paar fronsende wenkbrauwen op. Want door deze gevaarlijke landen reizen, met een kleuter nota bene, die we ook nog eens zes weken van school hielden, dat was toch wel een beetje onverantwoordelijk gedrag. Maar hoewel we redelijk op de bonnefooi vertrokken, een paar keuzes hadden we al wel gemaakt. Zo viel bijvoorbeeld een staat af wegens te veel risico op drugsgerelateerd geweld. Ook nachtbussen zouden we vermijden (gelukt), en we namen ons stellig voor niet langer dan zes uur achter elkaar te reizen (niet gelukt), niet steeds overal maar één nacht blijven (ook niet gelukt) en vooral ook te zorgen dat H. het allemaal ook een beetje leuk zou vinden (zeker gelukt, “Wat is dit een groot avontuur!”, zei ze al na een week).

Mexico en, in iets mindere mate Guatemala, hebben bijzonder veel te bieden voor kleuters (en oudere kinderen). En alle schoolvakken zijn voorbijgekomen: rekenen (alle Jezusbeelden in alle kerken tellen), taal (“La cuenta, por favor”), biologie (babyschildpadjes de zee in sturen, neusberen en toekans bestuderen, luisteren naar brulapen), sport (zwemmen in de zee, zwembaden en in grotten, Mayatempels beklimmen) – eigenlijk kan hier geen enkele school tegenop.

Een groot avontuur, dat was het.

Ja, het blijft me steeds bekoren, want ik heb mijn hart verloren in het mooie Mexico. Mexiiiiicoooooo!

(tot snel, want wordt vervolgd)

Vroegâh

DSC_2924-01In een ander leven gingen wij naar Mexico. Van social distancing hadden we nog nooit gehoord, en anderhalve meter had geen bijzondere betekenis. Handen wassen deden we al wel, maar nog niet twintig keer per dag. We mochten nog gewoon vliegen, en knuffelen, en opa en oma bezoeken. We mochten nog naar ons werk, en naar school, al hoefde dat niet per se toen H. nog 4 jaar was. En daarom gingen we in november naar Mexico, zes weken lang, terwijl het niet eens vakantie was.

In Mexico City liepen we door de overvolle straten, en zaten we in de drukke metro. Mexicanen knepen vol liefde in de wangen van onze dochter en aaiden over haar blonde haren, en niet één keer maakten we ons zorgen.

Ze schudden ons hartelijk de hand, die leukerds, en heetten ons welkom. Met een knuffel namen we weer afscheid. We aten tortilla’s in overdekte markten, dronken tequila op het strand. We beklommen hoge Maya-tempels, zaten uren achter elkaar in bussen, doken in onderwatergrotten en bewonderden vulkanen. Op volle pleinen speelden muzikanten op hun trompetten en trommels en mensen klapten hun handen stuk.

Tijdens Día de Muertos beschilderde een meisje het gezicht van onze dochter en stonden we tussen één miljoen anderen naar een optocht van skeletten te kijken. H. was een beetje verkouden, maar wat gaf het.

Het was een mooie reis, waarover ik graag wilde schrijven. Maar er gebeurde iets. De wereld werd ziek. Ik kreeg alle tijd van de wereld, maar mijn inspiratie stokte.

Nu we opgesloten zijn in onze eigen huizen ga ik toch een poging wagen om de herinneringen op papier te zetten. Van die bijzondere reis in die andere tijd.

(wordt vervolgd)

Blogje van H. (5) – Kroona

20200318_130714Er is dus kroona. Dan moet je in je elleboog hoesten, want als je dan een high five geeft, dan krijg je dat spul op je hand. En dan word je ziek. Mensen kunnen ook ontploffen. Echt! Maar je mag dus nu ook geen high five meer geven. Ik mag zelfs niet meer naar school. En niet naar zwemles. En ik mag ook niet meer afspreken met andere kinderen.

Soms mag ik nog wel even naar het park met mama. Maar als het druk is, moeten we weer naar huis. En in de straat mag ik ook niet meer zoveel spelen. En ik mag ook niet meer mee naar de winkel om boodschappen te doen. Dat vind ik dan wel weer cool. Want dan mag ik dus alleen thuis blijven. Ik ben al 5, dus dat kan best. Ik wil dan eigenlijk gewoon lekker chillen op de bank en een filmpje kijken, maar ze is altijd heel snel weer terug. Jammer is dat.

Kroona is niet leuk. Want ik mag ook niet naar oma, en ook niet naar opa. En ook niet met de trein. Ik mag gelukkig wel in de tuin spelen. Mama had een hindernisbaan gemaakt. Oh, en ik mocht mee naar de yogales. Op de computer. Ging ik lekker op mijn mama’s rug liggen toen zij in een driehoek ging staan. Mama zei dat ze dat niet kon tillen. Haha. Ik kan al op één been staan en dan tel ik in mijn hoofd tot 10, en dan val ik om.

We hebben muzelie gemaakt, en die eten we elke ochtend in de yoghurt. Ik heb ook al scones gebakken en sushi gegeten. Mama is de beste eter (kok, red.) van de wereld.

Ik vind kroona stom. Ik wil weer spelen met mijn vriendinnen, en weer naar school, en weer naar oma. Ik hoop dat kroona snel weer weg is.

Doei.

Q&A met H. (deel 1)

DSC_3317-01

1. Wanneer zou jij onzichtbaar willen zijn?

Als jullie boos op me zijn

2. Wanneer voel jij je vrij?

Als ik niet naar school hoef

3. Waar kun jij van genieten?

Van een zonnetje

4. Wat kun jij snel?

Opruimen

5. Waar ben jij goed in?

Van de hoge glijbaan gaan

6. Wat vind jij mooi aan jezelf?

Mijn haar

7. Wat wil jij aan jezelf veranderen?

Ik wil Elsa worden

8. Ga jij wel eens op reis?

Ja! Naar Mexico en Guatemala

9. Wanneer voel jij je heel sterk?

Als ik broccoli heb gegeten

10. Wat onthoud jij allemaal?

Alles

10x waar je helemaal niet op zit te wachten

DSC00875Vijf jaar blog ik nu met een ernstig gebrek aan regelmaat over mijn zwanger- en moederschap. Vanzelfsprekend staat daarbij mijn dochter van inmiddels 4,5 jaar centraal. Nu ga ik eens iets over mezelf vertellen. Willekeurige feitjes die je nog niet wist over mij (en waarschijnlijk ook helemaal niet wil weten). Ik noem er tien.

1 – Ik ben fobisch voor slangen en andere dieren die geen poten hebben. Maar dan echt. Ik durf niet met mijn handen in de tuin te werken omdat ik bang ben dat ik een regenworm tegenkom. Voor mijn dochter probeer ik zo normaal mogelijk te doen, maar ik doe toch een stapje achteruit als er zo’n beest de grond uit komt kruipen. Toen ik een keer in een Nicaraguaanse badkamer een zwarte slang de doucheput in zag glijden, rende ik jankend naar buiten en moest D. een week lang eerst elke hoek van alle kamers controleren voordat ik naar binnen durfde.

2 – Drie ‘embarrassing moments’, in willekeurige volgorde:

  • Ik ben ooit spectaculair gevallen. Uit stilstand. Hoe het gebeurde is me nog altijd een raadsel, maar een half Afrikaans dorp kwam om me heen staan om geamuseerd toe te kijken hoe ik vervolgens niet meer overeind kwam. (Uit dezelfde categorie: voor het eerst met klikpedalen op mijn mountainbike. Of liever: de mountainbike bovenop mij. De mensen op het terras vonden het prachtig)
  • In Berlijn stapte ik een keer zelfverzekerd (en na een paar biertjes) een restaurant in. “Ein Zabel für fünf, bitte!
  • [Ongoing]: mijn geheugen is vrij goed, maar als iemand mij vertelt wat voor werk hij doet, gaat dat het ene oor in en het andere direct weer uit. In mijn hersenpan is geen plek voor werkgerelateerde berichten. Ook van D. weet ik eigenlijk alleen dat hij de hele dag aan het vergaderen is.

3 – D. was ooit het vriendje van mijn toenmalige beste vriendin. Acht jaar en een aantal andere relaties later ontmoetten we elkaar weer op, of all places, LinkedIn, en was het direct raak.

4 – Elke pen in mijn buurt moet ‘uit’ zijn, of de dop moet erop, anders zit ik toch niet helemaal lekker. En ik heb een was-ophangritueel. Alles moet volgens een bepaalde volgorde op het wasrek opgehangen worden. Soms helpt H. me en probeer ik mijn irritatie te verbergen door haar haar gang te laten gaan. Maar als ze het zat is, ga ik dingen verhangen.

5 – Ik droom van wonen in het buitenland, het liefst Latijns-Amerika. Mijn eigen hostel runnen. Een bibliotheek beheren voor minderbedeelde kinderen. Geen idee, maar ik wil op een dag weg uit Nederland.

6 – Ik ga al mijn hele volwassen leven naar muziekfestivals en ik heb daar nog nooit gedoucht. Het dichtst in de buurt kwam ik toen ik een duik nam in de volgepiste Lowlands-vijver. Thuis compenseer ik dit door te heet en te lang te douchen.

7 – Ik heb mijn halve leven gekampt met depressies en angstaanvallen, en ben daarvoor meerdere keren in therapie geweest. Pas sinds een paar maanden durf ik hardop te zeggen dat het écht goed met me gaat. En dat ik er trots op ben dat ik dat zelf voor elkaar heb gebokst.

8 – Soms voel ik me schuldig dat H. geen broertje of zusje gaat krijgen. Maar ik moet er écht niet aan denken om weer van voren af aan te moeten beginnen met een tweede. Het is goed zo.

9 – Je mag mij ’s nachts voor niks wakker maken. Ik wil liever gewoon met rust gelaten worden zodat ik kan slapen. En anders alleen als je een hele goede reden hebt. Brand, bijvoorbeeld. Of als Matt Berninger van The National beneden in de woonkamer een paar liedjes wil komen zingen. Nick Cave mag ook komen.

10 – Ik kan niet goed tegen dominantie en autoriteit. En ook niet tegen mensen die op straat ineens stil gaan staan.