Het schoolplein

Ik was een beetje vroeg, en zat nog op een bankje van het zonnetje te genieten terwijl het schoolplein langzaam volstroomde met Groen Links-stemmers. Nieuwsgierig keek ik rond. Ik probeerde te achterhalen welke moeder of vader überhaupt een kind had dat bij mijn kind in de klas zat. Was die nou gescheiden? Waar ken ik die vrouw nu ook alweer van? Die gast zag ik vroeger nog wel eens in de kroeg, heeft hij kinderen?!

Ruim een maand geleden ben ik toegetreden tot het genootschap van schoolpleinouders. ’s Ochtends moet ik steevast denken aan de tijd dat ik de hele dag voor de deur van de concertzaal had gelegen omdat ik per se vooraan wilde staan. Als dan de deuren opengingen, stoof iedereen naar binnen om het beste plekje bij het podium te bemachtigen. Zo gaat het op school ook ongeveer. De deuren gaan om 8.20 uur open en iedereen verdringt zich voor de deur om zo snel mogelijk hun kind af te leveren.

’s Middags staat vaak de andere ouder op het plein voor diezelfde deur te wachten tot hun kroost weer naar buiten komt.

Mijn aandacht werd getrokken door twee krijsende kinderen die vochten om de schommel. De moeders waren te druk met kletsen om in te grijpen.

“Hij was wel moe, hoor. Ja, hij lag er zaterdag pas om half elf in, joh. Ja, hij wilde natuurlijk eerst Wie is de Mol kijken.”

Bij het klimrek kwam een curlingmoeder aangelopen met een futuristische kinderwagen. Haar dreumes schatte ik nauwelijks één jaar, maar nummer twee lag al in de wagen te pruttelen. De dreumes probeerde op het klimrek te klimmen. Moeder raakte een klein beetje in paniek. “Dat kan niet, Sofie”, zei ze. “Senn ligt te slapen.”  Ze veegde snel de drie zandkorrels van Sofies broek af.

Voor me parkeerde de quinoamoeder haar voertuig. Ik probeerde te bepalen of de ingesnoerde peuter een jongen of een meisje was, maar dat was lastig, omdat het waarschijnlijk nog nooit een kapper had gezien.

De alles mag-moeder liet haar zoon de schommel afpakken van iemands dochter. Verderop stond een vrouw driftig op haar iPhone te typen, terwijl haar baby bungelend aan haar andere arm hing.

Saar had zaterdag weer de wekelijkse hockeytraining gehad, hoorde ik iemand zeggen. Dat moest helemaal in Enschede, want van hockey weten ze hier niks.

“Hoe laat moet je dan weg?”

“Zeven uur ’s ochtends.”

“En hoe deed je dat dan met de voetbal van Finn?”

“Die moest gelukkig ’s middags pas spelen. Konden we direct door, haha.”

De deur ging open. Mijn dochter kwam enthousiast aanrennen en wilde zo snel mogelijk haar nieuw geleerde liedje zingen, voordat ze ‘m zou vergeten.

“En nu wil ik naar huis, mama.”

Ik ook.

Advertenties

Eindelijk!

DSC_0041Ik voerde een tamelijk bizar telefoongesprek. Ik verontschuldigde me tegenover de mevrouw aan de andere kant van de lijn. “Ja, dit is een beetje gek misschien”, stamelde ik, “maar ik wil mijn dochter inschrijven op school.” Ze had net haar eerste stapjes gezet, en was wat aan het brabbelen, verder kon ze nog niet zoveel. “Wanneer wordt ze 4?”, vroeg de mevrouw. “Uhm, ja, uhm, over drie jaar”, zei ik. De mevrouw was even stil. Ik stelde me voor dat ze nu keihard in lachen zou uitbarsten, en me zou doorverwijzen naar een of andere instantie, en ik wilde de verbinding het liefst verbreken om mezelf deze afgang te besparen. Maar ze begon alweer te praten. “Oké”, zei ze, “ze staat derde op de wachtlijst. Tot over drie jaar!”

345 dagen geleden werd H. dan 3 jaar en keek ze met slaperige ogen in de vroege ochtend naar de ballonnen die we vasthielden. “Gefeliciteerd met je verjaardag!”, riepen we. Er verscheen een grote glimlach op haar gezicht. “Juij! Mag ik dan nu naar de basisschool?”

Het beloofde een lang jaar worden.

“Hoe lang nog?”, vroeg ze bijna dagelijks. Op het kinderdagverblijf verdwenen steeds meer vriendjes en vriendinnetjes naar de basisschool, en de gang ernaar toe werd steeds ingewikkelder. “Ik wil daar niet meer naartoe”, huilde ze soms. Ze wilde leren lezen en schrijven,en met andere, grotere kinderen spelen.

En nu is het dan eindelijk zover.

Morgen mag ze voor het eerst kennismaken met haar nieuwe klasgenoten. Twee dagen wennen, zoals dat heet, voordat na de kerstvakantie het echte werk gaat beginnen. Haar grote mond (“ik vind het helemaal niet eng, hoor”) is inmiddels niet zo groot meer. Ze slaapt slecht, wil alleen maar knuffelen op de bank. “Ik vind het toch wel spannend”, zei ze vanmorgen. “Ik ben bang dat er geen andere kinderen zijn.”

Ik bereid me voor op een dramatische toestand, morgenochtend, waarbij ze met geweld uit mijn armen getrokken moet worden. En eigenlijk hoop ik dat ze niet meer mee naar huis wil als ik haar begin van de middag weer kom ophalen.