Het vluchtkoffertje

make up kofferTegen het eind van je zwangerschap is het handig om een bevallingstas klaar te hebben staan. Een vluchtkoffertje heet dat in zwangerschapstaal. Voor als je onverhoopt toch in het ziekenhuis moet bevallen. Dan is het wel zo prettig als je je pasgeboren baby iets van kleding aan kunt trekken. Zeker in de winter niet onbelangrijk. Een muntje voor de rolstoel in het ziekenhuis moet erin,evenals warme sokken, een lang t-shirt, schoon ondergoed – dat soort ongein. Maar vergeet ook het elastiekje niet, en een rol pepermunt. En de maxi cosi. Zonder zo’n ding schijn je je baby immers überhaupt niet mee naar huis te krijgen.

Maar vooruit, met de ‘verplichte’ inhoud van zo’n tas kan ik prima leven.

Alleen die make up?

In de ladder van belangrijkheid van het vluchtkoffertje schijnt make up toch vrij hoog te staan. Je moet er natuurlijk wel fatsoenlijk en toonbaar uitzien na 40 uur zweten, puffen, janken en persen. Anders kun je alleen je aller, allerbeste vrienden en zeer directe familie uitnodigen. De enigen die wellicht accepteren dat je er wat minder fris uitziet. Nee, want anders heb je vast behoefte aan een leger aan vage kennissen aan je ziekenhuisbed. Gelukkig ben je vlak vóór de bevalling nog naar de pedicure en de kapper geweest. Stel je toch eens voor, lig je daar met je benen wijd met ongelakte teennagels!

Je moet er toch niet aan denken!

Overigens staat het vluchtkoffertje bij mij nog niet klaar. Als iets móet dan neemt de recalcitrante J. het over. Stronteigenwijs. Ik houd niet zo van dingen die móeten. Eigenlijk vind ik het ook niks dat ik vanaf volgende week móet stoppen met werken. Ik vind het wel fijn, dat wel, maar niet dat het móet.

En nee, de babykamer is ook nog niet af. Is er dan een probleem als de baby per ongeluk veel te vroeg komt? Er is een wieg, er zijn luiers en a whole lotta love… Lijkt mij voorlopig meer dan voldoende!

Advertenties

Lekker samen zwangeren

samen zwanger“We zijn zwanger.”

Bluueeegghh!

Allereerst: ík ben degene die schoenen niet meer fatsoenlijk aan krijgt. Ik ben degene die aan de biologische appelsap zit te lurken. Ik ben die dikke koe op de fiets. En ik ben ook de persoon die steeds vaker wordt aangesproken via mijn buik. Ik ben überhaupt de enige die dat gezemel over buiken, luiers, navelbandjes en andere wollige geouwehoer moet aanhoren. D. staat erbij en neemt een slok van zijn bier.

Op zulke momenten wou ik weleens dat ik een vent was.

Hij mag zijn zaadje afleveren en dan weer negen maanden wat anders gaan doen. Afgezien van het verschonen van de kattenbak blijft zijn rol tijdens de zwangerschap beperkt tot een absoluut minimum. Hij hangt er als een wormvormig aanhangsel bij. Er is iets mee, en hij is vast belangrijk, maar waarvoor hij precies dient, dat weet niemand meer exact. Hem wordt niks gevraagd (behalve of zijn vrouw, en daardoor ook hij, last heeft van zwangerschapshormonen), en zijn aanwezigheid bij de verloskundige wordt geaccepteerd, maar eigenlijk slechts gedoogd.

D. gaat altijd mee naar de verloskundige. Waarom weet ik eigenlijk niet zo goed, want die bezoekjes zijn doorgaans behoorlijk saai. Ik word op de weegschaal geconfronteerd met extra kilo’s, mijn bloeddruk wordt gemeten, ik krijg te horen hoe prachtig mijn buik is, er worden me “goede weken” gewenst, en dan kunnen we weer naar huis.

De verloskundige vindt het aanvankelijk geweldig dat D. er bij is. Maar hij mag erbij zitten, en dient verder zijn mond te houden. Het is zeker niet de bedoeling dat hij lastige vragen gaat stellen – doorgaans de favoriete bezigheid van D.

“Zeg, is de bloeddruk van de gemiddelde vrouw anders dan die van de gemiddelde man?”

Hij kon het niet laten.

De verloskundige keek alsof ze een haring en een muis de lambada zag dansen. Ze keek me kwaad aan. Wie was die gast? Maar D. wachtte nog steeds op antwoord.

Ik vond het steeds leuker worden.

“Ja”, stamelde ze. “Ja. Jaaaa… uhm…”

Dat is dus duidelijk niet de bedoeling, dat je als man een beetje vragen gaat stellen! Mond houden en “er zijn” voor je vrouw, dát is waar het op neerkomt als kerel.

Omdat mijn ouders al uit elkaar waren toen ik geboren werd, heb ik nooit geweten hoe het is om een vader in huis te hebben. Mede daarom vind ik het extra belangrijk dat mijn kind opgroeit met een mannelijk rolmodel. Ik weiger een sentimentele draak te worden, maar de andere kant van het verhaal is dat D. toevallig ook erg goed is in het “er zijn”-gedeelte. Hij hoort geduldig mijn steeds vaker voorkomende klaagzang aan over rug-, buik- en andere pijntjes; hij vertrouwt erop dat mijn gekakel ergens goed voor is. De babykamer is met zijn twee rechterhanden volledig zijn territorium. Als ik hongerig naar zijn bord kijk, dan geeft hij me nog wat van zijn eten, en hij liegt dat ik er nog altijd fantastisch uitzie.

Fijn, zo’n man. Zwangert op de juiste manier lekker mee.