5-1-15

IMG_0358Drie vrouwen (twee verloskundigen en een kraamhulp) rommelen in de woonkamer. “Wil je nog koffie, Annemarie?” Een klik van een fototoestel. Gedoe met de parkeerkaart. “Je doet het hartstikke goed.” Gefluister. D. propt een Dextro in mijn mond. Au! Weer een wee. De katten liggen rustig in de vensterbank. Ik word uit bad getakeld. “Je bent al negen centimeter.” Ik heb pijn en ben moe. Zouden de buren het horen? Ik ga het warme water weer in. Het kan nu niet lang meer duren. Hoe laat zou het zijn? Ik wil in D’s hand knijpen. Waar is hij? Het water wordt koud. “Ik ga je blaas leegmaken”, zegt de verloskundige. Weer het bad uit. “Heb je een zaklamp?” Ik lig weer op tafel. Ik ben er wel klaar mee. Ik doe mijn ogen dicht. Iemand praat tegen me. “Als de baby er over drie kwartier nog niet is, gaan we naar het ziekenhuis.” Lichte paniek. “Ik wil geen keizersnee”, jammer ik. Een uur later is er nog geen baby. Ik lig al twee uur te persen en ben kapot. De weeën nemen af en ik wil alleen maar slapen. Ik word omhoog gehesen en krijg kleren aan. We gaan naar het ziekenhuis. Het kan me niet meer schelen. Ik mag kiezen: bij D. of bij de verloskundige in de auto. “We kunnen ook een ambulance bellen.” Weet je wat dat kost?!, denk ik onwillekeurig. Ik stap in D’s auto. Eerst nog een wee. Onderweg nog een paar. “Wat als ik in de auto een kind krijg?”, vraag ik nog. Alle stoplichten op rood. Dit lijkt verdorie wel een film! 14.01 staat op de klok van het dashboardkastje. Dat betekent dat ik nu zo’n 11 uur bezig ben. Bij de spoedingang staat de verloskundige met een rolstoel. We rollen door de gangen, waar geen eind aan lijkt te komen. Mensen moeten de lift verlaten. Hier komt een barende vrouw! Wat is dit ziekenhuis groot! En dan. Witte jassen. Ik lig weer op bed. D. stuurt een paar stagiaires weg. Hartmeters en een echo. “Je kindje is een sterrenkijker.” Wat is dát nou weer? Kijkt ze in de richting van mijn aars, vraag ik me nog even af. Maar mijn kind kijkt omhoog en kan daardoor niet draaien in het geboortekanaal. “Geen keizersnee”, zeg ik nogmaals. Dat hoeft ook nog niet. Wel allerlei infusen in mijn armen. Weeopwekkers. En morfine. Aah. Wat een fantastisch spul! Tussen de weeën door doezel ik weg. Tot iemand vertelt dat ik moet ademen. Nieuwe kracht opgedaan. Maar een uur later is er nog steeds geen baby. De vacuümpomp wordt erbij gehaald. Wil ik niet. Mijn kind ook niet. Bij de allerlaatste ‘natuurlijke’ wee draait ze. 15.49 uur. Ik krijg een roze bundeltje op mijn buik gelegd. Een meisje! Is zij van mij? Na 41 weken en 16 uur ben ik ineens mama. D. heeft tranen in zijn ogen. Ik wil ook huilen, maar ik ben te moe. Wat een ongelooflijk bizarre situatie. 5-1-15. Een sterrenkijker. Geboren bij volle maan.

Advertenties

Pompidom…

wachten“Nerveuze, angstige vrouwen produceren tijdens de bevalling adrenaline. Adrenaline remt de afgifte van oxytocine, het stofje dat de weeën stimuleert, waardoor de bevalling vertraagd wordt. Daarnaast remt adrenaline de afgifte van lichaamseigen morfines, endorfines, waardoor de bevalling pijnlijker wordt.”

Relaxen dus!

Tot een paar dagen geleden was ik dat, relaxed. Ik zag nauwelijks tegen de bevalling op; ik ging wel zien wat er zou gebeuren. Maar een badbevalling moest het in ieder geval gaan worden! Er zijn immers bewezen voordelen van je kind in water ter wereld brengen: het duurt over het algemeen minder lang en is minder pijnlijk, omdat het warme water je helpt ontspannen, en ook het bewegen gaat gemakkelijker. De kans op ellendige zaken als inscheuren en inknippen is beduidend kleiner. En voor baby’s is een waterbevalling minder traumatisch, want de overgang is minder groot. Gevolg: over het algemeen rustiger baby’s!

Ik heb er rekening mee gehouden dat het op een of andere manier niet lukt, in het water. Maar inmiddels ben ik zo’n 41 weken zwanger en met elke dag die wee-loos verstrijkt, komt het moment dichterbij dat ik dat bad, dat al een maand in huis is, niet eens kan probéren. En dat is het enige scenario waar ik even géén rekening mee had gehouden.

Als er niets in de huidige situatie verandert, lig ik over een week in het ziekenhuis. Niet in de veilige, vertrouwde omgeving van mijn eigen huis, maar in een tl-verlichte, steriele kamer. Dag ontspannend, warm water, hallo infusen, enge draadjes en witte jassen!

Ik ben er mentaal nog niet klaar voor om deze ommezwaai te maken. Ik weet ook dat er in een week nog “heel veel” kan gebeuren (helaas ook heel veel niet, zo heb ik inmiddels ervaren). Maar ik moet me er toch langzaam op gaan voorbereiden dat ik mijn kind niet op de wereld kan zetten zoals ik dat zelf graag wil.

De gedachten hierover beginnen door de verveling reusachtige proporties aan te nemen. Ik lig er ’s nachts wakker van, waardoor de tranen overdag wat losser zitten en het me überhaupt nauwelijks meer lukt ergens anders aan te denken. De ontspannenheid waarmee ik, ondanks mijn ongeduld, de laatste weken leefde (en waar ik ook zo fier op was), is volkomen verdwenen en heeft plaatsgemaakt voor en bijna obsessieve stress en angst. Precies wat ik níet moet hebben dus!

In verwachting zijn is geen hobby van me, en ik heb wel wat gezeurd, maar mijn zwangerschap is toch behoorlijk vlekkeloos verlopen. Mijn baby en ik zijn kerngezond, er zijn nooit complicaties geweest. Daarom is het zo zuur dat ik deze ‘perfecte’ negen maanden ‘uit het boekje’ wellicht niet op een ‘perfecte’ manier kan afsluiten.

“De kans is heel erg klein dat je wordt ingeleid”, sprak de verloskundige gisteren hoopvol. Heel erg lief, en misschien heeft ze gelijk. Maar diezelfde mevrouw riep twee weken geleden dat de kans “heel erg groot” is dat mijn baby binnen enkele dagen geboren zou worden.

Alle voortekenen zijn gunstig. Alles wat week moet zijn, is week. Alle proppen die ik moest verliezen, ben ik kwijt. Ik heb zelfs al een paar centimeter ontsluiting (“ik ben al twee”), er is al twee keer gestript, waarna ik de rest van de dag met hoopvolle buikkrampen op de bank lag en ik mijn baby vol vertrouwen toesprak dat het leven buiten mijn baarmoeder ook heus de moeite waard is. Maar er gebeurt he-le-maal niets! De krampen houden dan even plotseling op als ze begonnen zijn, en dan ben ik weer terug bij af.

Ik weet dat het niet goed is om een kindje te lang in de buik te laten zitten. Dus als het moet, dan moet het. Maar ik blijf toch, misschien tegen beter in, een beetje hopen dat ik het zélf kan doen. De knop in mijn hoofd kan en wil ik nog niet omzetten. Volhouden dus maar, en proberen genoeg geduld op te brengen te wachten tot mijn baby zich zelf aankondigt. Er kan immers “nog van alles” gebeuren…